Heffingskortingen in de Nederlandse loonadministratie

Heffingskortingen

Alle bedragen en percentages in dit artikel gelden voor het jaar 2021.

Een heffingskorting is een korting op de loon- en inkomstenbelasting en/of premies sociale zekerheid van een werknemer of uitkeringsgerechtigde (hierna: werknemer). Er zijn 8 heffingskortingen. Op verzoek van uw werknemer kunt u als werkgever 6 van deze heffingskortingen - samen aangeduid als loonheffingskorting - in aanmerking nemen bij de berekening van de loonbelasting/premie volksverzekeringen (zie paragraaf 1.1).

De werknemer kan alle heffingskortingen - inclusief de loonheffingskorting - laten verrekenen via zijn aangifte inkomstenbelasting.

Alle belastingkredieten zijn persoonlijk. Uw werknemer kan ze niet overdragen aan iemand anders.

Belastingkredieten en inkomstenbelasting

Er zijn 2 heffingskortingen die u als werkgever niet in aanmerking neemt: de werknemer moet deze zelf verrekenen via de inkomstenbelasting. Dat kan na afloop van het jaar met de aangifte inkomstenbelasting, maar ook vooraf met een verzoek om een voorlopige aanslag. In dat geval krijgt de werknemer maandelijks een bedrag op zijn bankrekening gestort.

Het gaat om de volgende belastingkredieten:

  • de inkomensafhankelijke combinatiebelastingfaciliteit
  • het belastingkrediet voor groene investeringen

1.1 Loonbelastingkrediet

De loonheffingskorting is de verzamelnaam voor de 6 heffingskortingen die u in aanmerking neemt bij het bepalen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen die u op het loon inhoudt. De loonheffingskorting kan bestaan uit de volgende heffingskortingen:

  • de algemene heffingskorting (zie paragraaf 1.1.1)
  • de heffingskorting op de arbeidsbelasting (zie paragraaf 1.1.2)
  • het belastingkrediet voor ouderen (zie paragraaf 1.1.3)
  • het belastingkrediet voor alleenstaande bejaarden (zie paragraaf 1.1.4)
  • de belastingvermindering voor jonggehandicapten (zie paragraaf 1.1.5)
  • de heffingskorting levensloopverlof (zie paragraaf 1.1.6)

Attentie!
De levensloopregeling is per 1 januari 2012 afgeschaft. Werknemers kunnen dus niet meer in deze regeling gaan sparen. Voor bestaande deelnemers geldt een overgangsregeling.

Solliciteer op verzoek van de werknemer

Iedere werknemer die aan de voorwaarden voldoet, heeft recht op de loonheffingskorting. Uw werknemer moet u schriftelijk vragen om de loonheffingskorting toe te passen, bijvoorbeeld met een 'Model opgaaf gegevens voor de loonheffingen'. Als uw werknemer de loonheffingskorting niet meer bij u wil of mag toepassen, moet hij dit ook schriftelijk aan u laten weten.

Er is een uitzondering voor de jonggehandicaptenkorting: ook als de werknemer de loonheffingskorting niet bij u laat toepassen, mag u de jonggehandicaptenkorting verrekenen (zie paragraaf 1.1.5).

Als de werknemer u niet heeft gevraagd om de loonheffingskorting toe te passen, loopt hij niets mis: hij kan de loonheffingskorting verrekenen via zijn aangifte inkomstenbelasting.

In de loonadministratie geeft u aan of u de loonheffingskorting toepast. Daarnaast geeft u apart aan of u de jonggehandicaptenkorting toepast.

Loonbelastingkrediet en loonbelastingtabellen

De algemene heffingskorting en de heffingskorting voor ouderen zijn opgenomen in de witte en de groene tabel. De heffingskorting voor werkenden is alleen in de witte tabellen opgenomen. De alleenstaande ouderenkorting is alleen opgenomen in de groene tabellen voor de AOW-, Anw- en AIO-uitkeringen. U hoeft deze 4 heffingskortingen dus niet zelf te berekenen. Wel moet u de jonggehandicaptenkorting en de levensloopverlofkorting zelf berekenen.

Wat bedoel je met witte en groene tafels?

Voor de loonbelasting/premies sociale zekerheid zijn er de volgende tabellen:

- Witte tabellen voor lonen uit huidige dienstbetrekking
- Groene tabellen voor lonen uit vroegere dienstbetrekking

Afhankelijk van het soort loon, gebruikt u dus de witte of de groene tafels.

ATTENTIE!
Ook als de dienstbetrekking nog niet is geëindigd, kunnen de groene tabellen voor loon uit vroegere dienstbetrekking nog van toepassing zijn. Bijvoorbeeld in het geval van een ontslagvergoeding die u betaalt voor het einde van de dienstbetrekking.

De tabel voor bijzondere beloningen heeft een kolom 'verrekenpercentage loonheffingskorting' voor werknemers op wie u de loonheffingskorting toepast. Met dit verrekenpercentage past u de toe- en afname van de loonheffingskorting en de afname van de algemene heffingskorting toe op bijzondere beloningen.

Werknemers die niet volledig belasting- of premieplichtig zijn

De loonheffingskorting heeft een belasting- en een premiecomponent. Bij werknemers die niet loonbelastingplichtig zijn of niet (volledig) premieplichtig zijn voor de sociale zekerheid, moet u de loonheffingskorting verminderen. Voor werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt, is deze vermindering opgenomen in de witte en groene tabellen. In 2021 wordt de AOW-leeftijd 66 jaar en 4 maanden.

Werknemers die geen ingezetenen zijn van Nederland

Alle werknemers die in Nederland verzekerd zijn voor de sociale zekerheid, hebben recht op het premiedeel van de loonheffingskorting. Het maakt voor het premiedeel niet uit van welk land een werknemer inwoner is. Uw werknemer heeft alleen recht op het premiedeel van de heffingskortingen over de periode dat hij of zij in Nederland verzekerd is.

Tot 2019 hadden alle werknemers ook recht op het fiscale deel van de loonheffingskorting. Vanaf 2019 hebben echter alleen inwoners van Nederland er nog recht op. Niet-inwoners van Nederland hebben dus geen recht meer op het belastingdeel van de loonheffingskorting. Wanneer iemand inwoner van Nederland is, kunt u lezen in LINK. Uw werknemer heeft alleen recht op het belastingdeel van de heffingskortingen voor de periode dat hij inwoner van Nederland is.

Voor één heffingskorting, namelijk de heffingskorting voor werknemers, geldt een uitzondering: inwoners van een andere EU-lidstaat, van een EER-land (IJsland, Noorwegen en Liechtenstein), van Zwitserland of van een BES-eiland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) hebben recht op het fiscale deel van deze heffingskorting.

Indien de werknemer in België, Suriname of Aruba woont, heeft hij of zij ook recht op het belastinggedeelte van de algemene heffingskorting.

Een gedetacheerd ambtenaar die niet daadwerkelijk in Nederland woont, maar wel geacht wordt inwoner van Nederland te blijven, kan voor de heffingskortingen worden gelijkgesteld met een inwoner van Nederland.

Werknemers met meer dan 1 werkgever of uitkeringsinstantie

Slechts één werkgever of uitkeringsinstantie mag de loonheffingskorting toepassen. Als de werknemer wil dat u de loonheffingskorting toepast, moet hij u een schriftelijk, ondertekend verzoek met datum geven. Als de werknemer de loonheffingskorting niet bij u laat toepassen, dan mag u alleen rekening houden met de jonggehandicaptenkorting.

Als de werknemer meer dan één werkgever of uitkeringsinstantie heeft, kan het zijn dat hij niet de volledige loonheffingskorting kan verrekenen.

Het is ook mogelijk dat de werknemer ervoor kiest om de loonheffingskorting niet te laten toepassen door een werkgever of uitkeringsinstantie. De werknemer kan dan een verzoek om teruggaaf doen via zijn aangifte inkomstenbelasting. Of met een verzoek om een voorlopige aanslag.

Loonbelastingtabellen

De nieuwe loonbelasting- en premietabellen zijn te vinden op belastingdienst.nl. De tabellen zijn gepubliceerd in de rekenhulp Loonbelastingtabellen. In deze rekenhulp zijn ook de tabellen opgenomen voor de minder vaak voorkomende situaties met een afwijkende belasting- of premieplicht.

De rekenhulp is te vinden op belastingdienst.nl/tabellen. Voor oudere jaren kunnen de tabellen en de omrekeningsregels nog worden gedownload van belastingdienst.nl.

Sinds 2019 zijn er meer loonbelastingtabellen. Dit heeft te maken met het onderscheid tussen inwoners en niet-inwoners van Nederland voor de heffingskortingen en met aanpassingen in belastingverdragen.

1.1.1 Algemeen belastingkrediet

De algemene heffingskorting wordt in 2021 afgebouwd met 5,977% van het inkomen uit werk en woning als dit inkomen € 21.043 of meer per jaar is, maar niet meer dan € 68.507. In 2021 bedraagt de algemene heffingskorting maximaal € 2.837. De heffingskorting zal worden afgebouwd tot nihil. Als de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, bedraagt de maximale heffingskorting in 2021 € 1.469. De heffingskorting wordt afgebouwd tot nihil.

De algemene heffingskorting en de vermindering daarvan zijn verwerkt in de loonbelastingtabellen, de tabel voor bijzondere beloningen en de berekeningsregels.

Attentie!
Met ingang van 1 januari 2019 wordt voor de algemene heffingskorting rekening gehouden met het woonland van uw werknemer. Zie paragraaf 1.1 onder 'Werknemers die geen inwoner zijn van Nederland'.

1.1.2 De heffingskorting voor werknemers

Een werknemer met loon uit tegenwoordige dienstbetrekking heeft recht op de heffingskorting voor werknemers. De heffingskorting voor werknemers is een percentage van dat loon tot een maximumbedrag. De heffingskorting voor werknemers wordt alleen berekend over periodieke lonen en niet over eenmalige beloningen of vergoedingen die u maar één keer per jaar toekent, zoals bonussen, tantièmes of vakantiegeld. In de tabel voor bijzondere beloningen wordt wel rekening gehouden met de verhoging en verlaging van de heffingskorting voor werknemers.

Attentie!
- Met ingang van 1 januari 2019 is het woonland van uw werknemer bepalend voor de heffingskorting van de werknemer. Zie paragraaf 1.1 onder 'Werknemers die geen inwoner van Nederland zijn'.
- Is uw werknemer op 1 januari 2021 61 jaar of ouder? Dan is de opname uit de levensloopregeling loon uit vroegere dienstbetrekking. U mag hier dus geen heffingskorting voor de werknemer op toepassen.

Elke loonperiode moet u het bedrag van de heffingskorting voor werknemers bijhouden dat u op de loonbelasting/socialezekerheidspremies van de werknemer hebt ingehouden. U vindt deze verrekende loonheffingskorting in de witte tabellen. U vermeldt de verrekende loonheffingskorting op de loonstaat en in de aangifte loonheffingen. Ook neemt u het totaalbedrag van de verrekende loonheffingskorting op in de jaaropgave voor de werknemer. De werknemer moet dit bedrag immers invullen in zijn aangifte inkomstenbelasting. In de jaaropgave neemt u alleen de heffingskorting werknemer op die u via het reguliere tijdschema hebt verrekend. De heffingskorting van de werknemer die u heeft verrekend met het 'verrekeningspercentage loonheffingskorting' van de bijzondere beloningstabel (zie paragraaf 1.1) neemt u niet op in de jaaropgave.

De heffingskorting voor werknemers bedraagt maximaal € 3.374 per jaar. De heffingskorting is opgenomen in de loonbelastingtabellen, de tabel voor bijzondere beloningen en de berekeningsregels.

Werknemersaftrek voor werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt

Voor werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt, geldt een andere heffingskorting voor werkenden dan voor jongere werknemers. U past deze heffingskorting toe vanaf de eerste loonbetaling nadat de werknemer de AOW-leeftijd heeft bereikt. De maximale heffingskorting voor werkenden per jaar is € 2.178. Deze heffingskorting is opgenomen in de loonbelastingtabellen, de tabel voor bijzondere beloningen en de rekenregels.

Vermindering van de heffingskorting voor werknemers voor lonen van meer dan 35.652 euro

De heffingskorting voor werknemers met een lager inkomen zal verder worden verhoogd tot een maximum van 4 205 euro in 2021. Daarnaast wordt de heffingskorting voor werknemers met een hoger inkomen verlaagd tot nul. In 2021 wordt de heffingskorting voor werknemers verminderd met 6,000% van het inkomen uit tegenwoordige arbeid indien dit inkomen meer bedraagt dan € 35.652 per jaar, maar niet meer dan € 105.735. De heffingskorting voor werknemers is nihil als het inkomen uit tegenwoordige arbeid hoger is dan € 105.735.

Voor werknemers die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, geldt een arbeidskorting van 3,105% van het loon boven € 35.652, met een maximum van € 2.178. Deze arbeidskorting is nihil als het inkomen hoger is dan € 105.735. De arbeidskorting is opgenomen in de witte tabellen, de tabel voor bijzondere beloningen en de rekenregels.

Attentie!
Soms moet uw werknemer (een deel van) de vermindering van de heffingskorting voor werknemers van maximaal € 4.205 via de aangifte inkomstenbelasting afdragen aan de Belastingdienst. Dit gebeurt als uw werknemer een jaarsalaris heeft dat hoger is dan € 35.652 en één van de volgende situaties zich voordoet:

- Uw werknemer had in 1 of meer loontijdvakken een loon onder de verminderingsgrens, maar hij ontvangt op basis van de witte tabel een evenredige heffingskorting voor werknemers zonder vermindering.
- Uw werknemer heeft verschillende werkgevers. Bij elke werkgever blijft hij onder de reductiegrens, maar zijn jaarsalaris ligt boven de reductiegrens.
- Uw werknemer heeft naast loon ook ander arbeidsinkomen (winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden). Voor het loon blijft hij onder de verminderingsgrens, maar zijn totale inkomen ligt boven de verminderingsgrens.

1.1.3 Belastingkrediet voor ouderen

Een werknemer heeft recht op de ouderenkorting als hij de AOW-leeftijd heeft bereikt. De ouderenkorting bedraagt € 1.703 voor werknemers met een inkomen van € 37.970 of minder. Als het inkomen hoger is dan € 37.970, wordt de ouderenkorting verminderd met 15% van het verschil tussen het inkomen en € 37.970. Vanaf een inkomen van € 49.324 heeft de werknemer geen recht meer op de ouderenkorting.

Voorbeeld
Uw werknemer heeft een salaris van € 40.000. De ouderen heffingskorting is dan:
€ 1.703 - 15% van (€ 40.000 - € 37.970) = € 1.703 - € 304 = € 1.399.

U past de ouderenkorting toe vanaf de eerste salarisbetaling in de maand waarin uw werknemer de AOW-leeftijd bereikt.

Attentie!
Sinds 1 januari 2019 is het woonland van uw werknemer bepalend voor de ouderenkorting. Zie paragraaf 1.1 onder 'Werknemers die geen inwoner van Nederland zijn'.

1.1.4 Belastingkrediet voor alleenstaande ouderen

Alleen de Sociale Verzekeringsbank ("SVB") past de alleenstaande ouderenkorting toe. In dat geval moet er een AOW-uitkering voor alleenstaanden zijn. De SVB past deze heffingskorting ook toe op de aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen, de AIO-uitkering.

De alleenstaande ouderkorting bedraagt € 443. De SVB past dit tegoed toe vanaf de eerste salarisbetaling in de maand waarin de uitkeringsgerechtigde de AOW-leeftijd bereikt. De SVB doet dit alleen als de uitkeringsgerechtigde de SVB hier schriftelijk om heeft gevraagd.

Attentie!
Sinds 1 januari 2019 is het woonland van uw werknemer bepalend voor de alleenstaande ouderenkorting. Zie paragraaf 1.1 onder 'Werknemers die geen inwoner van Nederland zijn'.

1.1.5 Belastingkrediet voor jonggehandicapten

De heffingskorting voor jonggehandicapten geldt voor iedereen die:

  • ontvangt een 'Wajong' uitkering
  • recht heeft op een Wajong-uitkering, maar deze uitkering niet ontvangt omdat hij andere inkomsten heeft

Als u een Wajong-uitkering (door)betaalt, mag u de jonggehandicaptenheffingskorting altijd verrekenen. Dit geldt ook als uw werknemer de loonheffingskorting niet laat toepassen in uw loonadministratie.

Het is mogelijk dat uw werknemer recht heeft op een Wajong-uitkering, maar deze niet ontvangt omdat hij andere inkomsten heeft. In dat geval mag u de jonggehandicaptenkorting verrekenen als u een kopie bewaart van de brief van het UWV aan uw werknemer waarin staat dat hij recht heeft op de jonggehandicaptenkorting.

De heffingskorting voor jonggehandicapten bedraagt 761 euro per jaar. Deze heffingskorting is niet opgenomen in de tabellen of in de berekeningsregels. U moet het bedrag van de loonbelasting/premies sociale verzekeringen zelf verminderen met de heffingskorting jonggehandicapten. Als u de maandtabel, de vierwekentabel, de weektabel, de dagtabel of de kwartaaltabel gebruikt, is de korting respectievelijk 1/12, 1/13, 1/52, 1/260 en 1/4. Heeft uw werknemer een loonperiode waarvoor geen tabel bestaat? Dan gebruikt u voor de berekening van de korting dezelfde omrekeningsregels die u gebruikt voor de berekening van de loonbelasting/premies sociale verzekeringen.

1.1.6 Heffingskorting levensloopverlof

De levensloopregeling is per 1 januari 2012 afgeschaft. Werknemers kunnen niet meer starten met sparen in deze regeling. Voor bestaande deelnemers geldt een overgangsregeling.

Als uw werknemer blijft sparen via de overgangsregeling, bouwt hij vanaf 2012 geen levensloop meer op. De rechten die hij tot en met 2011 heeft opgebouwd, blijven bestaan. Bij de berekening van de loonbelasting/premies sociale verzekeringen houdt u voor deze werknemer rekening met de levensloopverlofkorting, als hij u daar schriftelijk om heeft gevraagd. De levensloopverlofkorting is gelijk aan het bedrag dat is opgenomen uit de levensloopregeling met een maximum van € 223 per gespaard kalenderjaar.

Voorbeeld
Een werknemer is in 2011 gaan sparen in de levensloopregeling. Hij heeft daarom recht op € 223 levensloopverlofkorting.

Als de werknemer in juli en augustus 2021 opnames doet uit de levensloopregeling, waarbij over deze opnames € 50 per maand aan loonheffing en premies sociale verzekeringen verschuldigd is, brengt u in juli en augustus € 50 als levensloopverlofkorting in mindering op de loonheffing en premies sociale verzekeringen. Er blijft dan nog € 123 aan levensloopverlofkorting over. Dit bedrag kunt u verrekenen met latere opnames van het levenslooptegoed.

Als de verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen over opnames uit de levensloopregeling in juli € 1.000 is en in augustus € 1.000, verrekent u in juli slechts € 223 met de loonbelasting/premie volksverzekeringen.

Per jaar bouwt uw werknemer € 223 levensloopverlofkorting op. Dus als uw werknemer geld opneemt uit de levensloopregeling en hij heeft er bijvoorbeeld 2 jaar voor gespaard, dan trekt u maximaal 2 x € 223 = € 446 af. Als u in voorgaande jaren al levensloopverlofkorting heeft ingehouden, verlaagt u daarmee de levensloopverlofkorting in latere jaren. Als u bijvoorbeeld in het 1e jaar voor een werknemer een levensloopverlofkorting van € 100 heeft afgetrokken, mag u in het 2e jaar maximaal (2 x € 223) - € 100 = € 346 aftrekken.

Vanaf 2012 bouwt uw werknemer geen levensloopverlofkorting meer op. Dus als hij in 2021 geld opneemt uit de levensloopregeling en hij heeft vanaf bijvoorbeeld 2010 gespaard, dan trekt u maximaal 2 x € 223 = € 446 af, omdat hij alleen in 2010 en 2011 levensloopsparen heeft kunnen opbouwen.

Als uw werknemer naast zijn opname uit de levensloopregeling ook ander loon ontvangt, kunt u de levensloopverlofkorting verrekenen met het totale bedrag aan loonbelasting/premies sociale verzekeringen.

Voorbeeld
Een werknemer met een maandsalaris ontvangt in juli en augustus 2021 € 600 en neemt in beide maanden ook € 400 op aan levensloopsparen. De werknemer is begin 2011 gestart met de levensloopregeling. Hij heeft niet eerder gebruik gemaakt van de levensloopverlofkorting. De levensloopverlofkorting is € 223 omdat hij in 2012 geen levensloopverlofkorting meer heeft kunnen opbouwen. Het bedrag aan loonbelasting/premies sociale zekerheid volgens de witte maandtabel is bijvoorbeeld € 115 bij een loon van € 1.000 (€ 600 + € 400). U past dan in juli € 115 toe en in augustus het restant van € 108 in (€ 223 - € 115).

U vermeldt het bedrag van de toegepaste levensloopverlofkorting op de loonstaat en het totaalbedrag op de jaaropgave voor de werknemer.

Attentie!
De werknemer mag ook het saldo van de levensloopregeling omzetten in pensioen, zolang de volledige pensioenregeling voldoet aan de wettelijke pensioenvoorwaarden. Bij omzetting naar pensioen houdt u geen levensloopverlofkorting in. De levensloopverlofkorting is ook niet van toepassing als u het levenslooptegoed na het overlijden van de werknemer uitkeert aan de erfgenamen.

Vergelijkbare berichten

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.